“Ouders zijn nog in de rouwfase van acceptatie” staat er. Het is het officiële verslag van de gemeente. Het plan voor onze zoon. De vrouw die het plan opstelde staat aan onze kant. Gelukkig! Het plan is wat we voor ogen hadden, ik ben blij.
Het is dat zinnetje wat me niet aanstaat. Het irriteert me mateloos. Rouw? Ik ben niet in de rouw. Ik rouw niet om mijn kind. Mijn kind is hier, nog net zo perfect en compleet als hij was vóór deze rollercoaster begon. “Rouw jij om hem?” vraag ik mijn man. Nee, zo voelt hij dat ook niet.
Het zinnetje komt van een vrouw die wij een uur hebben gesproken. En na dat uur, waarin ze ons vertelde er te zijn voor ons, meent ze nu blijkbaar onze situatie volledig te begrijpen. Vreemd, ze voelt niet goed dachten we nog toen ze vertrok. Mijn intuïtie vertelt me dat ze niet bij ons past. Ondanks haar vriendelijkheid wil ik haar liever uit ons dossier verwijderen. Ik doe het liever zelf.
Dat voorgevoel bleek te kloppen. Ze hielp ons niet, integendeel. Ze presteerde het zelfs te zeggen “dat we er voor moeten uitkijken dat we ons kind niet de juiste zorg ontzeggen doordat we zelf niet accepteren dat hij zo is”. Hoe langer ik erover nadenk hoe kwader ik word. “Wat weet jij ervan??” zou ik willen schreeuwen. Denk je echt dat je hem kunt vangen in de beperkte tijd die je had voor hem? Even snel, tussen 2 afspraken door? Heb je wel naar hem gekeken? Geluisterd naar ons verhaal? Heb je hem gezien?
Ja ze zag inderdaad tranen. Ze zijn er vaak en veel de laatste tijd. Ze komen op onverwachtse momenten, dat is soms lastig. Maar ik schaam me er niet voor. Want ik denk dat mijn tranen normaal zijn. Je hebt het namelijk over mijn kind. Mijn hart. Mijn alles.
Het zijn alleen geen tranen van rouw! Ze begrijpt het niet. Het zijn tranen van verdriet en misschien nog wel meer van angst. Niet de angst voor wat mijn kind straks allemaal moet missen of niet zal kunnen, maar de angst dat wij hem niet kunnen beschermen voor de wereld. Een wereld die verwacht dat hij op een bepaald moment op een bepaalde manier gaat functioneren. Die hem afwijst als hij niet in een hokje blijkt te passen. Het is angst. Iets wat ik niet had kunnen voorspellen dat zo’n belangrijke rol zou spelen in dit traject.
Wat is het gek dat het voelt alsof er een tegenpartij is. Iedereen die we spreken lijkt zo aardig, ze noemen zich meer dan eens de spin in het web. Degene bij wie we moeten aankloppen wanneer we er niet uitkomen. Maar na zo’n gesprek voel ik me vaak leeg, en bang. Verdrietig ook.
En er volgt steeds niets. Geen advies, geen opbeurende woorden. Geen “Het komt goed” of “Laten we gewoon aan de slag gaan”. Niks. We wachten al best lang ook.
Mijn kind is geen probleem, niet voor ons in ieder geval. Hij is het mooiste en het beste. We gaan zonder aarzeling de toekomst tegemoet. Want we redden het, dat weet ik zeker. We rouwen niet om iets wat is verloren, iets wat er nooit is geweest. Hij was namelijk altijd al zichzelf. Zijn eigen unieke, grappige, eigenzinnige, woordeloze zelf. We vrezen de harde buitenwereld voor ons lieve kind. En dat begint blijkbaar vandaag al..